Kelpiebrink NL > Gezondheid

Gezondheid

Hier vindt u informatie met betrekking tot een aantal gezondheidsfactoren die van belang kunnen zijn voor een kelpie. De foto's op deze pagina zijn allemaal van onze eigen honden, die gelukkig allemaal gezond zijn !

Links: Een Kelpie die blaakt van gezondheid.

NB: De foto's zijn van onze kelpies die gelukkig allemaal in goede gezondheid verkeren. De foto's worden ook alleen geplaatst om de lappen tekst wat te onderbreken.

Epilepsie
Hartklachten
Heupdysplasie
MDR1 gen defect
Cryptorchidie
Cerebellar abiotrophy
Demodex (canis)
Patellaluxatie
Oogziekten
Rugklachten

Epilepsie

Bronvermelding: www.epilepsiebijhonden.nl

Wat is epilepsie ?

Epilepsie is het herhaald optreden van toevallen. Meestal komen die aanvallen met een zekere regelmaat van gemiddeld eens per maand. Treden ze vaker op, dan zijn medicijnen noodzakelijk. Aanvallen ontstaan doordat er in de hersenen bepaalde signalen niet worden afgezwakt. In normale gevallen worden in de hersenen een heleboel signalen ontvangen, verwerkt en verzonden. Het wordt allemaal automatisch in de juiste banen geleid. Als een hond epilepsie heeft, worden de signalen niet allemaal op de juiste manier verwerkt. Ze hopen zich als het ware op en op een bepaald moment komen ze tot een uitbarsting in de vorm van een aanval. De hond zelf merkt daar in principe weinig van.

tl_files/gezondheid/Gijsje uit haar dak.jpg

Er bestaan twee soorten epilepsie: primaire epilepsie, ook wel idiopatische, genetische of 'echte' epilepsie genoemd en secundaire epilepsie, waarbij een aanwijsbare oorzaak te vinden is. Epilepsie bestaat zoals al eerder verteld uit het herhaaldelijk optreden van aanvallen. Bij honden zijn er drie soorten aanvallen te onderscheiden:

Partiële aanvallen, waarbij bepaalde delen van het lichaam betrokken zijn, zoals bijvoorbeeld stuiptrekken, vlieghappen, zenuwtrekjes in het gezicht of het trekken met een oor.

Gegeneraliseerde aanvallen, ook wel grand mal genoemd. Deze aanvallen bestaan uit twee fasen: de tonic en de clonic fase. De tonic fase is herkenbaar aan het omvallen van het dier, verlies van bewustzijn, het verstijven van de poten en krampen van het hele lichaam. Soms stopt ook de ademhaling. Deze fase duurt gewoonlijk ongeveer 10-30 seconden. De clonic fase bestaat uit het bewegen van het hele lichaam, waaronder het heftig bewegen van de poten (het zogenaamde 'lopen'). Bij beide fasen kan ook de controle over blaas of darmen wegvallen en kan er salivatio optreden. In sommige gevallen verschijnt er schuim om de mond.

tl_files/gezondheid/Happy Jelle.jpg

Atypische aanvallen, welke niet in te delen vallen bij de vorige twee soorten.

De meeste aanvallen zijn in drie fasen in te delen.

De prodrome is de beginfase voor de werkelijke aanval. Hierin treedt een bewustzijnsverandering op. De hond is onrustig en vertoont soms afwijkend gedrag. Het dier kan aanhankelijker worden, of zich juist terugtrekken. Soms is er een vreemde blik in de ogen te zien. De prodrome kan enkele minuten tot enkele dagen aanhouden. Enkele seconden tot enkele minuten voor de feitelijke ictus (zie hieronder) vindt de aura plaats, een kortdurend vreemd gedrag, of raar kijken van de hond.

De ictus is de werkelijke aanval, waarin dus de tonic en de clonic fase optreden. De hond valt om, verstijfd gedurende een korte periode (± 30 seconden), gevolgd door ontspanning, waarbij krampen en heftige beweging met de poten optreed. De ictus duurt ongeveer 1-3 minuten.

De postictale fase is de periode na de aanval. De hond komt bij bewustzijn, krabbelt overeind en is meestal een poosje de kluts kwijt. Sommige honden hebben extreme honger of dorst. Vaak zien ze slecht en hebben moeite met bewegen. Enkele honden zijn vlak na de aanval overactief en anderen zijn juist geheel uitgeteld. De post-ictale fase kan enkele minuten tot enkele dagen duren.

tl_files/gezondheid/Kiwi en Jelle dichterbij.jpg

Soorten epilepsie

We vertelden bij de uitleg over epilepsie al dat er twee soorten epilepsie bestaan: primaire en secundaire epilepsie.

Primaire epilepsie wordt ook wel idiopatische, genetische of 'echte' epilepsie genoemd. Voor dit soort epilepsie is meestal geen oorzaak te vinden. De diagnose wordt gesteld door alle andere oorzaken uit te sluiten. Primaire epilepsie ontstaat meestal als de hond een leeftijd heeft tussen 6 maanden en 5 jaar (met een gemiddelde van 3 jaar). Door onderzoeken is inmiddels aangetoond dat idiopatische epilepsie een erfelijke grondslag heeft. Het is dus ook verstandig met honden die epilepsie hebben niet te fokken. U kunt het beste de fokker van uw hond inschakelen, aangezien het noodzaak is de lijn waarin de epilepsie voorkomt, geheel van de fok uit te sluiten.

Secundaire epilepsie wordt gekenmerkt door een aanwijsbare oorzaak die voor de aanvallen te vinden is. Er zijn tal van oorzaken voor secundaire epilepsie, waarbij het doel van de behandeling is, de oorzaak weg te nemen, wat echter soms moeilijk is, omdat de oorzaak niet altijd duidelijk is vast te stellen. De meestvoorkomende oorzaken voor secundaire epilepsie is hepato-encefalopathie en hersentumoren. Hepato-encefalopathie treedt vaak op bij hele jonge honden (<1 jaar) of oude honden (>6 jaar). Bij jonge honden wordt het vaak veroorzaakt door een levershunt. Een levershunt is een aangeboren afwijking waarbij bepaalde bloedvaten niet goed zijn aangelegd. Hierdoor kan de lever gifstoffen niet uit het bloed zuiveren, waardoor o.a. ammoniak in het bloed achterblijft. Deze ammoniak kan zorgen voor gedragsveranderingen, agressie en epileptiforme aanvallen. Bij de oudere hond wordt hepato-encefalopathie vaak veroorzaakt door acute hepatitis. Hersentumoren zijn er in vele soorten en maten. Vaak kan alleen middels een hersenscan (CT-scan) worden aangetoond of er sprake is van zo'n tumor. Over het algemeen komen hersentumoren meer bij de oudere hond voor, dan bij de jongere en helaas is er in de meeste gevallen weinig aan te doen als bij een hond een tumor wordt vastgesteld. Secundaire epilepsie komt meestal tot uiting als de hond jonger is dan 6 maanden, of ouder is dan 5 jaar.

tl_files/gezondheid/Simon springt uit het water.jpg

Naast hepato-encefalopathie en tumoren zijn er nog een aantal andere aandoeningen die epileptiforme aanvallen veroorzaken. We noemen er een aantal van:

Hypoglycemie, ofwel een te laag bloedsuikergehalte. Dit komt soms voor bij pups en bij jachthonden (hunting dog hypoglycemic syndrome). Ook bij een insulinoom wordt dit symptoom gezien. Een insulinoom is een woekering van kliercelletjes in de alvleesklier. Deze gezwelletjes produceren insuline, waardoor de hond aanvalsgewijs een veel te laag bloedsuikergehalte heeft. Doordat de hersenen te weinig voeding krijgen, kunnen er epileptiforme aanvallen optreden.

Intoxicaties, waarbij vaak acute epileptiforme aanvallen optreden. In het bloed worden veelal geen afwijkingen aangetroffen. Diagnose is echter erg moeilijk als er geen duidelijke aanwijzingen zijn.

Meningo-encephalitis (hersenvliesontsteking) is een progressief verlopende aandoening, waarbij ook epileptiforme aanvallen kunnen optreden. Vooral bij een infectieuze ontsteking kunnen de aanvallen het enige duidelijke symptoom zijn.

Naast bovengenoemde aandoeningen zijn er nog een aantal die van minder belang zijn. Mocht u meer willen weten, aarzel dan niet om een email te sturen.

tl_files/gezondheid/Roosje mooi aan het poseren.jpg

Soorten aanvallen

Zoals we al eerder lazen, kent epilepsie een aantal verschillende soorten aanvallen. We noemden al de partiele aanvallen, de gegeneraliseerde aanvallen en de atypische aanvallen.

Partiële aanvallen beginnen doorgaans plaatselijk (lokaal) en komen op die manier ook meestal tot uiting: trillen met een oor of een poot, of knipperen met een oog. Soms breiden zulke aanvallen zit uit tot een gegeneraliseerde aanval. Afhankelijk van de plaats (lokalisatie) kan een partiële aanval zich op verschillende manieren manifesteren. Als voorbeeld kunnen we noemen de "lobus temporalis" aanvallen (psychomotorische aanval), waarbij de hond achter zijn staart aanrent of naar denkbeeldige vliegen hapt, en de Jacksonische epilepsie (epilepsie van Jackson) waarbij de partiële aanval die bijvoorbeeld in 1 poot begint, zich geleidelijk uitbreid naar een gegeneraliseerde aanval.

Gegeneraliseerde aanvallen worden ook wel grand mal genoemd. We schreven al dat zo een aanval uit drie fasen bestaat, waarvan de tweede fase ook weer uit twee delen bestaat. De aanval begint met de prodrome en de aura, waarbij de hond zich anders dan normaal gedraagt. Hij vraagt soms meer aandacht, is heel onrustig, weet niet goed wat hij wil. Vlak voor de aanval valt dat het meest op; als de hond in de aura zit. Kort daarop begint de tonic fase van de ictus: de hond valt om, verstijft, er ontstaat opisthotonos en soms stopt de ademhaling. Deze fase is doorgaans vrij kort: meestal 10-30 seconde en wordt gevolgd door de clonic fase, waarin de hond met de poten begint te trappen, soms kauwbewegingen maakt en urine en/of ontlasting laat lopen. De pupillen kunnen zich verwijden, er kan salivatio optreden en soms gaan alle haren overeind staan (piloerectio). Deze fase duurt ongeveer 1-2 minuten. De postictale fase is de afsluiting van de aanval. Soms is de hond meteen weer normaal, vaker echter is hij onrustig, gedesorienteerd, en loopt zwabberig rond. Soms treed blindheid op. De verschijnselen kunnen in duur varieren tussen de enkele minuten en enkele dagen.

De atypische aanvallen spreken voor zich; dat zijn aanvallen die niet in te delen vallen in de eerder genoemde groepen. Dit soort aanvallen komen eerder bij mensen voor, dan bij dieren.

Soms wordt er wel eens gesproken over petit mal (absence) aanvallen. Dit soort aanvallen zijn ongewoon bij honden, ofwel worden vaak niet waargenomen door de eigenaar. Aangezien ze bij mensen regelmatig voorkomen, vallen ze dus onder de groep atypische aanvallen. Buiten de genoemde soorten aanvallen, zijn er een tweetal bijzondere vormen van een gegeneraliseerde aanval, waar extra aandacht aan besteed moet worden:

tl_files/gezondheid/Simon en Loekie aan het spelen.jpg

Clustering

Dit is wanneer een hond meerdere aanvallen op een dag heeft (met een tussentijd die kan variëren van enkele minuten tot enkele uren), waarvan hij tussentijds voldoende hersteld, dus waarbij een duidelijk herkenbare postictale fase optreedt. U dient uw dierenarts hiervan op de hoogte te stellen, aangezien een cluster vaak niet vanzelf stopt, maar met medicijnen doorbroken moet worden (zie ).

Status epilepticus

Hierbij is sprake van een aanval, die langer dan enkele minuten duurt, waarbij de hond niet of nauwelijks bij bewustzijn komt en er geen duidelijke post-ictale fase optreedt. Elke aanval wordt gevolgd door een nieuwe, waardoor de aanvallen eindeloos door kunnen gaan.

Indien u vermoed dat uw hond in een status epilepticus verkeert, dan dient u met spoed diergeneeskundige hulp in te roepen. Bij niet tijdig ingrijpen kunnen er complicaties optreden die het leven van uw hond in gevaar brengen!

Hartklachten

De functie van het hart

Het hart pompt het bloed door het lichaam en zo krijgen alle delen van het lichaam zuurstof en voedingsstoffen. Het hart bestaat uit een rechter en een linker helft. Rechts is voor de kijker links en andersom. Het zuurstofrijke bloed (rood) wordt vanuit de linker kamer via de lichaamsslagader (aorta) het lichaam ingepompt. Vanuit het lichaam keert het zuurstofarme bloed (blauw) weer terug naar het hart en komt via de rechter boezem en de kleppen tussen rechter boezem en rechter kamer (tricuspidalis) in de rechter kamer. Vanuit de rechter kamer wordt het zuurstofarme bloed via de longslagader naar de longen gepompt. Daar neemt het bloed weer zuurstof op en komt als zuurstofrijk bloed via de linker boezem en de kleppen tussen de linker boezem en linker kamer (mitralis) in de linker kamer. En zo gaat de bloedsomloop voortdurend rond en voorziet het lichaam steeds weer opnieuw van zuurstof en voedingsstoffen. Onderweg komen vanuit de darm via de lever voedingsstoffen in het bloed om naar het gehele lichaam getransporteerd te worden. Intussen worden de afvalstoffen via lever en nier uitgescheiden met de ontlasting en de urine.

 

tl_files/diversen/DSC_0239.jpg

OORZAKEN HARTKLACHTEN

Verreweg de meeste hartklachten bij hond en kat, naar schatting 90 – 95%, zijn ‘verkregen’, dat wil zeggen in de loop van het leven ontstaan. Ongeveer 5 – 10% van de hartklachten is aangeboren. En als we niet zorgvuldig genoeg onze fokprogramma’s opstellen en volgen, dan zou het best eens kunnen, dat het aantal hartklachten bij bepaalde rassen zorgwekkend gaat toenemen. Ongeveer 80% van de hartklachten zijn klepdefecten, 10% wordt veroorzaakt door een cardiomyopathie (hartspierlijden) en 10% door ritmestoornissen, mogelijk ook veroorzaakt door hartspierproblemen.
We hebben geprobeerd te achterhalen in hoeverre intensief sporten van invloed is op hartklachten. de meningen zijn hierover verdeeld maar de term "sporthart" is meerdere malen gevallen. Omdat er zoveel hartproblemen ‘verkregen’ zijn, is het zeker de moeite waard om onszelf af te vragen of we de problemen kunnen voorkómen.De honden waarmee we fokken worden tegenwoordig wel getest op erfelijke hartziektes vóórdat we er mee gaan fokken!

tl_files/gezondheid/spelen.jpg

VOORKÓMEN IS BETER DAN GENEZEN

We hebben al aangegeven, dat de meeste ‘verkregen’ hartafwijkingen klepdefecten en hartspierproblemen zijn. Die kunnen veroorzaakt worden door bacteriële infecties (o.a. vanuit een slecht gebit en een mondslijmvlies ontsteking), virus infecties (o.a. ten gevolge van kennelhoest of parvo), storingen van het immuunsysteem, allergische reacties, giftige stoffen (o.a. via de voeding of medicijnen) e.d. In veel gevallen is de link tussen oorzaak en gevolg (de hartafwijking) niet duidelijk. Wel duidelijk is, dat we alle ziektes die zouden kunnen bijdragen tot het ontstaan van hartafwijkingen altijd zo grondig mogelijk moeten proberen te genezen. We moeten niet alleen maar met antibiotica en ontstekingsremmers de klachten onderdrukken. We moeten proberen die ziektes tot in de wortel uit te roeien, proberen te voorkómen dat er, zoals onze oosterburen dat zo fraai uitdrukken, ‘Spätschäden’ ontstaan in de vorm van bijvoorbeeld een hartklepontsteking of een hartspierontsteking. Een ontsteking van de hartkleppen leidt tot vormverandering en daardoor slecht sluiten van de hartkleppen. Een ontsteking of vergiftiging van de hartspier kan een degeneratie van het hartspierweefsel veroorzaken. Beide leiden tot een verminderde hartfunctie en daardoor een verminderde output van bloed vanuit het hart in de bloedsomloop. We kunnen regulier het één en ander ondernemen, zoals bijvoorbeeld het gebit goed onderhouden, voorkómen, dat er in de mondholte een grote poel van bacteriën zit. Virale infecties voorkómen en vooral ook de weerstand van de patiënt verbeteren. Letten op bijwerkingen van medicijnen, kritisch met medicijnen omgaan (zie: Medicijnen, hoe gaan we ermee om?). De homeopathie stimuleert de lichaamseigen afweer, zodat ziektes, die oorzaak zouden kunnen zijn van hartafwijkingen, grondiger genezen kunnen worden. Daarom is homeopathie het meest effectief in het voortraject, als de hartafwijking ontstaat en veel minder bij de gevolgen ervan. De reguliere hartmiddelen behandelen niet de hartafwijking, maar de gevolgen ervan. Voorkómen is beter dan genezen. En dat geldt zeker ook bij hartklachten.

 

tl_files/diversen/DSC_0231.jpg

VERMINDERDE HARTWERKING

Bij een zwakke pompwerking van het hart komt er te weinig bloed in de bloedsomloop. Er wordt dus te weinig bloed vanuit de linker kamer via de aorta (lichaamsslagader) het lichaam in gepompt. We zeggen dan, dat de output van het hart minder is. Het gevolg daarvan is: minder bloed in de bloedsomloop en bloeddrukdaling. U kunt zich voorstellen, dat er dan ook minder zuurstofrijk bloed komt in het lichaam, maar ook in de hartspier zelf. Het lichaam gaat zijn maatregelen nemen om deze bedreigende situatie op te vangen, te compenseren. Via een ingewikkeld mechanisme zorgt het lichaam er voor, dat de bloedvaten samentrekken (vasoconstrictie), waardoor de bloeddruk weer stijgt en door het vasthouden van water en zout in het lichaam stijgt ook weer het totaal volume aan bloed in de bloedsomloop. Tevens zorgt het lichaam ervoor, dat het hart sneller gaat kloppen (tachycardie) en dus vaker bloed in het lichaam pompt. Deze maatregelen ter compensatie: meer bloed in de bloedsomloop, stijging van de bloeddruk en versnelling van de hartfrequentie zijn op zich voldoende om weer een nieuw evenwicht te bereiken. Als de hartafwijking die ten grondslag ligt aan de verminderde hartfunctie niet zeer ernstig is of niet verder verslechtert kan het dier oud worden, ondanks zijn hartprobleem. We zien dat bijvoorbeeld bij defecten van de hartklep. Sommige honden hebben al een ruisje op het hart op jonge leeftijd en worden toch met gemak 15 jaar. Als de hartafwijking ernstig is of verder verslechtert, moeten de maatregelen die het lichaam tegen de gevolgen ervan ondervindt geïntensiveerd worden. Het lichaam gaat op gegeven moment paniekerig reageren. De bloeddruk neemt te veel toe en het hart klop te snel. Op dat moment worden de reguliere hartmiddelen ingezet om de overreactie van het lichaam weer een beetje in goede banen te leiden: iets minder bloeddruk en iets minder snel kloppen. Het is maar de vraag of het ‘preventief’ voorschrijven van reguliere hartmiddelen bij een simpel ruisje terecht is. Het lichaam en het hart zijn in balans. Het hart kan dat kleine beetje extra inspanning best hebben. Wij zouden met onze bloeddruk en hartfrequentie verlagende middelen juist het evenwicht verstoren. De maatregelen ter compensatie: meer bloed in de bloedsomloop, stijging van de bloeddruk en versnelling van de hartfrequentie blijken in andere gevallen op den duur juist problemen te kunnen geven. Een minder krachtig hart moet meer bloed pompen (meer volume), tegen de druk in (bloeddrukstijging) en ook nog sneller pompen! Kennelijk leiden deze goed bedoelde maatregelen ter compensatie toch op den duur tot uitputting van de hartspier (decompensatie). Het lichaam doet ook nog wat extra pogingen om te compenseren. In het begin wordt de hartspier dikker en sterker (hypertrofie), maar op een gegeven moment is daar een grens aan en gaat het hart nog een wanhopige poging doen om de hartkamers en boezems groter te maken om daarmee meer bloed te kunnen bevatten. Hierbij wordt de hartspier dunner (dilatatie) en op den duur daardoor weer minder krachtig. En op enig moment is de koek op. Het hart is onherstelbaar uitgeput (decompensatie).

tl_files/diversen/DSC_0426.jpg

GEVOLGEN VAN EEN VERMINDERDE HARTWERKING

De maatregelen die het lichaam neemt hebben aanvankelijk positieve effecten op het functioneren van de patiënt, maar op den duur mogelijk dus toch ook weer negatieve effecten. Versnelling van de hartfrequentie (tachycardie) Het gevolg van een versnelling van de hartfrequentie is dat er meer bloed per minuut uit het hart gepompt wordt (meer output). Toch zien we bij verdere toename van de hartfrequentie dat door de haast de kamer minder goed gevuld wordt en dus uiteindelijk de output per hartslag toch minder wordt. Bij een te hoge frequentie wordt de output onvoldoende. Dit is van invloed op de bloedvoorziening van het lichaam maar ook op die van het hart zelf. Minder voedingsstoffen en vooral minder zuurstof is ‘killing’ voor de harspier. Omdat de rustfase tussen twee slagen van het hart steeds korter wordt krijgt het hart niet of nauwelijks de tijd om te herstellen. De normale pols van honden en katten in rust zit globaal tussen de 70 – 90 slagen per minuut. Als de dieren in actie komen stijgt de pols, bijvoorbeeld van 90 – 140 slagen per minuut. Bij enorme inspanning nog hoger. Boven de 160 – 180 komen we in een gevaarlijk gebied. Samentrekken van de bloedvaten (vasoconstrictie) Doordat de bloedvaten samentrekken wordt de bloeddruk hoger. Het hart moet als het ware tegen een weerstand in pompen. We noemen deze druk waartegen het hart moet opboksen: afterload. Doordat ook de bloedvaten in de hartspier samentrekken is de doorbloeding ook daar verminderd, waardoor de aanvoer van essentiële voedingsstoffen en zuurstof gehinderd wordt. Vasthouden van water en zout (water / zout retentie) Doordat het lichaam via een ingewikkelde samenwerking tussen hart en nieren water en zout gaat vasthouden, neemt het totale volume bloed in de bloedvaten toe. Ook daardoor ontstaat er een overdruk in de bloedvaten, niet alleen bij de afvoer maar ook bij de aanvoer. Er wordt een grotere hoeveelheid bloed aan het hart aangeboden, hetgeen het hart niet goed kan verwerken, zodat er stuwing optreedt. Het grotere aanbod van bloed aan het hart noemen we preload.

tl_files/diversen/DSC_0276.jpg

SYMPTOMEN

In de beginfase van een hartfalen, merken we aan de buitenkant niets, omdat het lichaam de bovenbeschreven compenserende mechanismen in werking stelt. Op een bepaald moment gaan die compenserende mechanismen juist tegenwerken. Het hart probeert dit nog wel op te vangen, maar op enig moment is het uitgeput (decompensatie). De symptomen hangen af van de ernst van de hartafwijking en of de hartafwijking links en / of rechts voorkomt. Die symptomen zijn: Verminderd uithoudingsvermogen, benauwdheid, verhoogde ademfrequentie. Bij hijgen ten gevolge van inspanning of pijn zien we ook een verhoogde ademfrequentie, maar dan dikwijls een oppervlakkige ademhaling. Bij een hartprobleem zien we in rust een hoge frequentie en bovendien ook een diepe ademhaling: fors uitzetten van de borstkas bij inademing en uitademen met behulp van de buikspieren. In een later stadium kan er hoesten optreden en vindt er vochtophoping in de borstkas en de buik (dikke buik). Er kunnen momenten van flauwtes ontstaan bij geringe inspanning. De hartflauwtes zijn vaak gemakkelijk van een epileptisch insult te onderscheiden. Bij epilepsie zien we kramptoestanden, bij hartflauwtes totale verslapping.

tl_files/diversen/DSC_0491.jpg

DOEL VAN DE BEHANDELING

1. Het op hol geslagen hart tot bedaren brengen, zodat het zich rustig kan vullen en de doorbloeding van lichaam en hart zelf goed plaats vindt (te snelle hartslag = tachycardie).

2. De hartspier versterken, zodat het hart krachtiger pompt (hartspierversterking = inotropie).

3. Verlaging van de te hoge bloeddruk, zodat het hart minder tegen een weerstand hoeft op teboksen (minder afterload) en er minder stuwing ontstaat (minder preload).

4. Het te grote bloedvolume verkleinen, zodat ook de preload en afterload verminderen.

5. Herstellen van hartritmestoornissen (extra hartslagen, die het normale ritme verstoren = extrasystolen).

BEHANDELINGSMOGELIJKHEDEN

In de meeste gevallen van hartfalen passen we een medicamenteuze behandeling toe. Harttransplantaties worden niet bij honden uitgevoerd. Er zijn tegenwoordig goede reguliere medicijnen. Wat betreft de homeopathische mogelijkheden kan gezegd worden, dat ze er wel zijn, maar, dat ze voorzien moet worden van enkele zeer serieuze kanttekeningen. We onderscheiden in de homeopathie constitutiemiddelen en hartmiddelen. De constitutiemiddelen hebben een belangrijke rol bij het voorkómen van hartafwijkingen; als er hartklachten zijn kunnen ze worden ingezet naast de reguliere hart middelen en de homeopathische hartmiddelen. De homeopathische hartmiddelen hebben een beperkte rol in het geheel. Homeopathie: moeilijke geneesmiddelkeus Bij de typische homeopathische hartmiddelen blijkt het erg moeilijk te zijn om ze van elkaar te onderscheiden. In de homeopathie hebben we een individuele geneesmiddeldiagnose nodig, anders werkt het niet. We kunnen niet duidelijk aangeven welke middel het beste past bij de individuele patiënt. Dat is bij mensen wellicht wat makkelijker, omdat er meer bekend is over deze middelen toegepast bij mensen. Homeopathie: hartafwijkingen meestal niet te herstellen. Hartproblemen zijn meestal niet te herstellen, we kunnen alleen het proces van decompensatie uitstellen, vertragen en de gevolgen ervan opvangen. De typische homeopathische hartmiddelen zijn in de meeste gevallen net zulke symptomatisch werkende middelen als de reguliere middelen. We zien dan ook dat bij de typische homeopathische hartmiddelen, dat er lagere potenties of oertincturen worden voorgeschreven. De veiligheid van deze oertincturen kennen we slechts uit overlevering; er is nauwelijks onderzoek gedaan naar hun giftigheid. In de meeste gevallen adviseren wij dan ook bij hartfalen de goed onderzochte reguliere middelen als eerste medicijnkeus toe te passen. En natuurlijk hebben die ook bijwerkingen waar we terdege rekening mee moeten houden. Daarnaast proberen we een passend homeopathisch constitutiemiddel te vinden. Er zijn zeker enkele effectieve homeopathische of liever gezegd fytotherapeutische (fytotherapie = kruidengeneeskunde) middelen die verantwoord kunnen worden toegepast. Een mooi voorbeeld van samenwerking tussen de reguliere diergeneeskunde en de homeopathie is, dat bij toepassing van het kruidengeneesmiddel Crataegus oxyacantha (meidoorn) we minder nodig hebben van het regulier toegepaste Digitalis. Digitalis is afkomstig van Digitalis purpurea of vingerhoedskruid. Het middel wordt zowel regulier toegepast als homeopathisch. Als een hond op een zeer lage nauwelijks effectieve dosis Digitalis al braakt, zal hij met Digitalis purpurea D6, in een homeopathische verdunning dus, hetzelfde effect kunnen ervaren als met reguliere doseringen.

OP ZEKER SPELEN

We moeten ons goed realiseren, dat we ondanks onze uitstekende diagnose mogelijkheden, zoals ECG, echo, bloeddrukmeting en röntgen, toch in veel gevallen weinig kunnen zeggen over de prognose, weinig kunnen zeggen over wat er zich nou werkelijk afspeelt in de weefsels van het hart en wat de reële overlevingscapaciteit is. Wij moeten dus op zeker spelen; en dat kunnen we bij bestaande hartproblemen nog altijd het beste met de reguliere middelen! Het is zinvol om daarnaast te proberen om het best passende homeopathische middel te vinden voor de individuele patiënt, in de hoop dat wij zijn constitutie nog zodanig kunnen ondersteunen, dat wij kunnen voorkómen, dat er geen progressie plaats vindt van het hartprobleem op zich. Zie: Homeopathie Met de reguliere middelen behandelen we alleen maar de gevolgen van het hartprobleem. Een aantal typische homeopathische hartmiddelen kunnen zeker nog als extra ondersteuning van pas komen. Algemeen is van belang, dat er bij alle behandelingen een degelijke follow-up plaats vindt. Er moet met grote regelmaat gecontroleerd worden; ECG, echo en bloeddrukmeting. Bijvoorbeeld elke 1 – 3 maanden!

tl_files/diversen/DSC_0459.jpg

SCHEMATISCH OVERZICHT

De materie is ingewikkeld. We geven nog een schematisch overzicht om de zaak nog even te resumeren en hopelijk nog verder te verhelderen:

FASEN HARTPROBLEEM

BEHANDELING Fase 1. OORZAAK o.a. • Bacteriële infectie • Virale infectie • Constitutie beter (homeopathie) 1.HOMEOPATHIE (Constitutie)

2.REGULIER (Antibiotica enz.,enz.) Fase 2. HARTPROBLEEM • Klepdefect • Cardiomyopathie • Constitutie beter (homeopathie)

1.HOMEOPATHIE (Constitutie)
Fase 3. GEVOLGEN • Bloeddruk daling • Bloedvolume minder • Constitutie beter (homeopathie) 1.HOMEOPATHIE (Constitutie) Fase 4. REACTIE LICHAAM • Bloeddruk stijging • Bloedvolume meer • Hartfrequentie hoger • Constitutie beter (homeopathie 1.HOMEOPATHIE (Constitutie) Fase 5. MEDICIJNEN • Bloeddruk weer iets lager • Bloedvolume weer iets minder • Hartfrequentie lager • Constitutie beter (homeopathie) 1. REGULIER (Hartmiddel) 2. HOMEOPATHIE (Constitutiemiddel) 3. HOMEOPATHIE (Hartmiddel) REGULIERE HARTMIDDELEN We kunnen de in de diergeneeskunde toegepaste hartmiddelen in 6 groepen verdelen: GROEP VOORBEELD 1 Digitalis glycosiden Digoxine Lanoxine 2 Bètablokkers Propanolol Atenolol 3 Calcium-antagonisten Verapamil 4 ACE-remmers Fortekor 5 Benzimidazol- Pyridazinone derivaten Vetmedin 6 Diuretika Furosemide Hieronder geven we de verschillende effecten in het lichaam van de bovengenoemde middelen: Digitalis 1. Versterking van de contractie kracht van de hartspier. 2. Daling van de hartfrequentie. 3. Vermindering van ritmestoornissen. Bètablokkers 1. Daling van de bloeddruk. 2. Daling van de hartfrequentie. 3. Vermindering van ritmestoornissen. Calciumantagonisten 1. Daling van de bloeddruk. 2. Daling van de hartfrequentie. 3. Vermindering van de contractiekracht van de hartspier. 4. Verwijding slagaders: betere doorbloeding lichaam en hart zelf ACE-remmers 1. Daling van de bloeddruk. 2. Vermindering totale hoeveelheid circulerend bloed / vocht. Benzimidazol-Pyridazinone derivaten 1. Versterking van de contractie kracht van de hartspier (zonder extra zuurstofverbruik). 2. Verwijding (slag)aders: betere doorbloeding lichaam en hart zelf. 3. Ontspanning hartspiercellen tijdens rustfase hartactie. Diuretika 1. Vermindering totale hoeveelheid circulerend bloed / vocht. 2. Voorkómen / bestrijden van oedemen / stuwing. HOMEOPATHIE De homeopathische behandeling van een hartpatiënt moet u aan de dierenarts overlaten. We bespreken de 3 belangrijkste homeopathische hartmiddelen die bij hond en kat kunnen worden toegepast. De constitutiemiddelen kunnen alleen gevonden worden via een individuele diagnose door de homeopathische werkende dierenarts. We bespreken: Arnica montana en Crataegus oxyacantha; die samen te vinden zijn in het middel: MacSamuel Hart tonicum. Daarnaast bespreken we in het kort het middel Digitalis, nu in homeopathische verdunningen. Arnica montana (wolverlei) Hartproblemen na overbelasting en trauma. Het middel bij uitstek van de fysieke uitputting. Standaard bij hartklachten. Arnica montana D6, 3 x daags 5 druppels. In ernstige gevallen Arnica montana D30 1 x daags 2 granules. Meestal naast de reguliere behandeling. Crataegus oxyacantha (meidoorn) Versterkt de hartspier en maakt de hartspier gevoeliger voor Digitalis. Met de toediening van Crataegus kunnen we volstaan met een lagere dosis Digitalis. En dat kunnen we beste gebruiken, omdat bij sommige honden Digitalis al vergiftigingsverschijnselen kan vertonen bij nog niet effectieve doseringen. Crataegus moet even de tijd krijgen om in de te werken. Na enkele weken zal de werking optimaal kunnen zijn. Crataegus werkt niet of nauwelijks bij ernstige hartafwijkingen en moet dus zeker niet als enig middel gegeven worden in levensbedreigende situaties. Crataegus oxyacantha OER, 3 x daags 5 (kleine hond), 10 (grote hond) druppels. Meestal naast de reguliere behandeling. Digitalis purpurea (vingerhoedskruid) Digitalis kan in gewone, reguliere doseringen gegeven worden (maximaal 0.25 mg per 10 kg lichaamsgewicht per dag (verdeeld over 2 - 3 giften) met een maximum van 0.75 mg per dag, ook voor de grootste hond. In principe schrijven we Digitalis voor in reguliere doseringen. Als een hond zeer overgevoelig blijkt voor Ddigitalis in reguliere doseringen, kunnen we Digitalis purpurea D6 voorschrijven; we zien dan de zelfde positieve effecten. Digitalis purpurea D6, 3 x daags 5 druppels. Meestal naast de reguliere behandeling.

Hartziekten blijken bij kelpies voor te komen. Men ziet vooral Mitralisklepdegeneratie maar ook hartziekten die DCM achtige verschijnselen hebben.

Bron: http://www.whgdierenartsen.nl/html/frameset.html

Heupdysplasie

Bronvermelding: diverse internetartikelen

Wat is de oorzaak van heupdysplasie (HD) bij honden?

Heupdysplasie is een ontwikkelingsstoornis van het bekken en de heupkop, die niet goed in elkaar passen. De heupkom is als regel te ondiep. Dit geeft pijnlijkheid, kreupelheid en vervroegde ¨slijtage¨ (artrose) van het kraakbeen in de gewrichten in de heup. Met een lichamelijk onderzoek kan de dierenarts de waarschijnlijkheidsdiagnose stellen. Maar met dierenröntgenfoto’s zijn deze aandoeningen goed in beeld te brengen. Vooral vanwege de pijn is de hond minder actief en daardoor blijft de ontwikkeling van de spiermassa rondom de gewrichten vaak achter.

tl_files/gezondheid/Simon springt uit het water.jpg

Heupdysplasie is ten dele erfelijk, maar ook de voeding in de eerste jaren speelt een belangrijke rol. Preventie Bij bepaalde rassen komen beide afwijkingen zeer verspreid en veelvuldig voor, waaronder de Duitse Herder, Berner Sennen en de Golden Retreiver Door een gericht fokbeleid en het consequent röntgenologisch onderzoeken van de beide (voor)ouders wordt de kans op afwijkende pups een stuk kleiner.
Behandeling Voor HD zijn er diverse mogelijkheden om de problemen te verminderen, maar bij ernstige gevallen is operatie aan het bekken en/of euthanasie zeker te overwegen.

Zonder de fotó's en zonder de hond gezien te hebben is het niet makkelijk om daar een uitspraak over te doen. 1. Pijnstillers en ontstekingsremmers levenslang, liefst zo laag mogelijk gedoseerd met kans op bijwerkingen aan de maag en nieren. Soms zijn ontstekingsremmers zoals prednisolon tijdelijk nodig, maar die hebben weer andere bijwerkingen, zoals verminderde afweer. Dit alles in overleg met uw dierenarts. De spieren van de achterhand versterken door training, met name door lopen in een rechte lijn, zoals naast de fiets en zwemmen. vaak korte stukken wandelen i.p.v. een enkele lange wandeling 2. Niet te zwaar laten worden van de hond of afvallen bij een wat zwaarder exemplaar. Hoe lichter de hond, hoe minder de hond hoeft te dragen. 3. Plotselinge bewegingen moetenvoorkomen worden, zoals spelen met de bal of stok. Ook fysiotherapie en begeleiding van een dierfysiotherapeut is een mogelijkheid 4. Sommige voedingssupplementen, verminderen de HD-klachten. Door betere opbouw van het kraakbeen en betere “smering” van het gewricht knappen de honden soms op. 5. Sommige dierenartsen werken met homeopathische middelen, producten op basis van kruiden en planten (phytotherapie) en andere natuurproducten.

tl_files/gezondheid/Balu aan het dartelen.jpg

HD komt bij kelpies wel voor. Omdat de populatie tamelijk klein is vinden sommige verenigingen en fokkers het nodig om met HD C honden te fokken; niet iedereen is het hier mee eens. De meesten (binnen en buiten Nederland) fokken met honden met HD A en HD B.

MDR1 gen defect

Bron: Genetic Counselling Services

Multidrug Resistance (MDR1) bij honden Helaas wordt de kelpie steeds meer genoemd als een hond waarbij het MDR1 gen defect als een mogelijkheid wordt genoemd.

Als u Duits leest dan raden wij u aan het artikel bij de Duitse versie te lezen, deze is wellicht wat overzichtelijker. Bron: Genetic Counselling Services

tl_files/gezondheid/Loekie aan het Zand op de uitkijk.jpg

Bij de normale gezonde hond worden het hersenweefsel en het centrale zenuwstelsel beschermd tegen de hoge concentraties van giftige stoffen (zoals geneesmiddelen) die in de bloedbaan circuleren. Het "Multidrug Resistance gen 1" (het MDR1 gen) heeft een belangrijke functie in de barrière tussen de bloedvaten en het hersenweefsel. Het codeert het eiwit P-glycoproteïne dat een onderdeel is van het membraan in de bloed-hersen-barriëre. P-glycoproteïne zorgt ervoor dat allerlei giftige stoffen (onder andere geneesmiddelen zoals Ivermectine) vanuit de hersencellen worden teruggevoerd in het bloed. Het verschijnsel "Ivermectine-overgevoeligheid bij Collies en Collie-achtigen" werd voor het eerst beschreven in 1983. Ivermectine (een middel tegen parasieten) veroorzaakt vergiftigingsverschijnselen in de hersenen bij een deel van de Collies. Dat gebeurt al bij doseringen die één-tweehonderste deel zijn van de doseringen die bij andere honden tot schade leiden. De dieren die het treft gaan vaak overmatig speekselen, ze gaan braken, krijgen epileptiforme aanvallen, ze krijgen spijsverterings- en ademhalingsstoornissen en kunnen in coma raken en zelfs overlijden. Honden die aan overgevoeligheid voor Ivermectine lijden, blijken overgevoelig te zijn voor een reeks van geneesmiddelen.

tl_files/gezondheid/Simon en Loekie aan het spelen.jpg

Overgevoeligheid voor bepaalde geneesmiddelen werd voor het eerst vastgesteld en beschreven bij Collies (Schotse Herdershonden). Oorspronkelijk werd de afwijking aangeduid als "Ivermectine overgevoeligheid". Uit het onderzoek van de laatste jaren is gebleken dat Ivermectine "slechts één van de geneesmiddelen" is die tot schade kunnen leiden. Bovendien bleek dat deze erfelijke afwijking niet alleen bij de Collie voorkomt, maar verder bij een hele reeks Collie-rassen. Dr. Mark Neff en zijn collega's hebben aangetoond dat het mutante allel mdr1-1Δ moet zijn ontstaan bij een hond die hoorde tot de vroegste Engelse schapendrijversrassen (de "working sheepdogs"), vóór de oprichting van de stamboeken rond 1873. Vanuit die basispopulaties werd het defecte allel ingebracht in de meeste moderne Collie-rassen en ook in een aantal andere rassen. Recent onderzoek toont aan dat driekwart van de Collies in Amerika het allel mdr1-1Δ heeft (in homozygote of in heterozygote vorm). Ongeveer dezelfde frequenties worden in Frankrijk en in Australië gevonden. We moeten aannemen dat dit voor de Collies wereldwijd geldt. Behalve bij de Collie en verwante rassen zoals de Shetland Sheepdog (Sheltie), de Border Collie, de Bearded Collie, de Australian Shepherd, de Australian Cattledog en de Old English Sheepdog, werd het mdr1-1Δ allel ook aangetoond bij Duitse Herders,Zwitserse Witte Herders, Langharige Whippets, Silken Windhounds en bij een reeks van bastaarden met "collie-bloed". In het verleden, toen de rassen ontstonden, werden er vaak dieren uit andere rassen gebruikt om bepaalde kenmerken in het ras te verbeteren. In dat proces waarbij "gewenste genen' werden ingebracht, was het natuurlijk onvermijdelijk dat allerlei ongewenste genen mee over gingen van het ene naar het andere ras.

tl_files/gezondheid/met zijn tweeen hard aan het rennen.jpg

We moeten er dan ook rekening mee houden dat we het defecte allel voor "Multidrug Resistance" (mdr1-1Δ) ook bij andere, geheel onverwachte rassen kunnen vinden. Indien we overgevoeligheid voor geneesmiddelen aantreffen bij een ras dat in het erleden "familiebanden" had met de oude Engelse "working sheepdogs" of misschien met een of meer van de moderne Collie-rassen, is het verstandig om met de DNA-test te laten controleren of de erfelijke variant van het MDR1 gen is het spel is. Mocht dat zo zijn, dan hebt u in ieder geval een mogelijkheid om effectief tegen de afwijking te selecteren en die daarmee uit uw lijn, en misschien wel uit het hele ras, kwijt te raken. Wat minstens zo belangrijk is, indien het defecte allel in uw ras aanwezig blijkt te zijn, kunnen eigenaren van huishonden voorkomen dat hun hond het slachtoffer wordt van geneesmiddelen die rampzalig kunnen zijn voor dieren die het afwijkende allel hebben. "Risico-geneesmiddelen" voor overgevoelige honden. In de literatuur wordt een aantal geneesmiddelen gemeld die overgevoeligheidsreacties veroorzaken bij honden (met name bij Collies en Collie-achtige honden). Zodra een dier dat aan overgevoeligheid lijdt medicatie nodig heeft, is het verstandig om de meest recente versie van de lijst met "Risico-geneesmiddelen" te raadplegen. Het is te verwachten dat deze lijst wordt uitgebreid naarmate er meer onderzoek wordt gedaan. Uit biochemisch onderzoek blijkt dat het gen MDR1 een rol speelt bij tenminste vijftig verschillende geneesmiddelen.

tl_files/gezondheid/Simon met zijn tong uit zijn bek.jpg

Het Veterinary Clinical Pharmacology Laboratory (VCPL) van het College of Veterinary Medicine van Washington State University publiceert op haar webpagina de meest recente ontwikkelingen in het farmacologisch onderzoek op het gebied van "Multidrug Resistance". Voordat u geneesmiddelen toedient, kijk altijd eerst op deze webpagina van VCPL, zodat u op de hoogte bent van de meest recente gegevens: http://www.vetmed.wsu.edu/depts-VCPL/#Drugs De lijst van 1 december 2005 omvat de "Problem Drugs", de geneesmiddelen waarvan is aangetoond dat ze problemen veroorzaakten bij honden met de MDR1 mutatie: Acepromazine (verdovingsmiddel) Butorphanol (pijnstiller) Cyclosporine (ter onderdrukking van de werking van het immuunsysteem) Digoxin (ter versterking van de hartfunctie) Doxorubicin (celgroeiremmer, ter bestrijding van tumoren) Ivermectin (tegen parasieten zoals luizen, mijten en wormen) Loperamide (ter bestrijding van diaree) Vinblastine (celgroeiremmer, ter bestrijding van tumoren) Vincristine (celgroeiremmer, ter bestrijding van tumoren) en de "Potential Problem Drugs", de geneesmiddelen die er ernstig van worden verdacht dat ze problemen zouden kunnen veroorzaken bij honden die de MDR1 mutatie hebben: Domperidone (tegen misselijkheid en maagklachten) Etoposide (celgroeiremmer, ter bestrijding van tumoren) Mitoxantrone (celgroeiremmer, ter bestrijding van tumoren) Morphine (verdovingsmiddel, vooral pijnstiller) Ondansetron (ter bestrijding van misselijkheid en braken) Paclitaxel (celgroeiremmer, ter bestrijding van tumoren) Quinidine (tegen hartritmestoornissen) Rifampicine (antibioticum) in de Europese literatuur wordt nog een aantal geneesmiddelen aan de lijst van "Problem Drugs" toegevoegd: Chinidine (ter bestrijding van hartritmestoornissen) Dexamethason (remt ontstekingen en onderdrukt allergische reacties) Ebastine (ter onderdrukking van allergische reacties) Grepafloxacine, Sparfloxacine (antibiotica, ter bestrijding van infecties) Bij rassen die met een zo ernstige erfelijke afwijking te maken hebben, is het van belang te voorkomen dat de erfelijke ziekte zich verder verspreidt in volgende generaties. Dat betekent dat de fokkers samen, en elk afzonderlijk, een beleid moeten inzetten dat erop gericht is om de verspreiding binnen het ras en binnen de lijnen tegen te gaan.

tl_files/gezondheid/Prachtig portret J-Lee.jpg

Zodra het duidelijk is dat binnen een ras een erfelijke afwijking voorkomt, willen sommigen niets liever dan zo snel mogelijk alle dieren uitsluiten die de "foute" erfelijke aanleg hebben. Dat is niet altijd verstandig. In het verleden hebben we te vaak gezien dat er van een ras zoveel dieren (en hele lijnen) werden uitgesloten, dat er daarna problemen ontstonden met inteelt en met andere erfelijke afwijkingen. Zeker wanneer een afwijking veelvuldig voorkomt is het van het grootste belang om als rasvereniging (als samenwerkende fokkers) een beleid uit te stippelen waarbij het probleem in een aantal generaties wordt teruggedrongen om het uiteindelijk helemaal kwijt te raken. Daarmee wordt zoveel mogelijk van de erfelijke variatie van het ras behouden. Met de beschikbaarheid van DNA-testen zoals de MDR1-test kan dat. Elk dier met de defecte erfelijke aanleg heeft daarnaast natuurlijk ook goede en belangrijke genen waarvan het de moeite waard is die te behouden voor het ras. Bij de nakomelingen van een belangrijk fokdier dat over het defecte gen mdr1-1Δ beschikt, kunnen we op zoek gaan naar waardige opvolgers waarin de positieve eigenschappen van dat dier behouden blijven voor het ras. We zullen dan, tijdelijk gebruik makend van dragers, de nakomelingen in volgende generaties moeten testen om de vrije dieren op te sporen. Door dragers alleen maar te gebruiken in combinatie met vrije honden wordt vermeden dat er dieren worden geboren die aan de ernstigste vorm van overgevoeligheid lijden. Daarbij moeten we natuurlijk wèl in gedachten houden dat ook de dragers (MDR1/mdr1-1Δ) niet helemaal vrij zijn van problemen. Er kunnen situaties ontstaan waarbij geneesmiddelen moeten worden toegediend, die voor deze dieren gevaarlijk (kunnen) zijn. Het is dan ook van belang, wanneer deze dieren geneesmiddelen nodig hebben, om de lijst met "Risico-geneesmiddelen" te raadplegen.

tl_files/gezondheid/Jelle zwemt.jpg

Chryptorchidie

Bronvermelding: diverse internetartikelen

cryptorchidie (de niet ingedaalde testikel) De teelbal (testikel) bij de reu wordt al vroeg in de vorming van de vrucht aangelegd in een gebied achter de nieren diep in de buik. Net als de nieren worden ze dubbel aangelegd. Het werkelijk afwezig zijn van een teelbal is net zo waarschijnlijk als het missen van een nier of een poot bij de geboorte.

tl_files/reuen/gideon/DSC_0450.jpg

Na de geboorte beginnen de teelballen een reis door de buik om gewoonlijk tussen de 1e en de 3e maand via het lieskanaal in de balzak te verschijnen. Bij een aantal reuen verloopt dit proces niet volledig en wordt de reis naar de balzak niet afgemaakt. De niet afgedaalde teelbal kan zich in dit geval dus overal tussen de achterzijde van de nier en de balzak bevinden. In een aantal gevallen is de bal zelfs te voelen in het lieskanaal. Wat betekent dit nu voor de reu. Een niet afgedaalde bal produceert net als een afgedaalde bal de gebruikelijke mannelijke hormonen. Het eenzijdig verwijderen van de buiten het lichaam aanwezig bal heeft dan ook geen invloed op de geslachtsdrift. Wel is het zo dat de "binnenbal" geen vruchtbaar zaad produceert. Voor de rijping van het zaad is het namelijk noodzakelijk dat de bal buiten het lichaam ligt, waar het enige graden koeler is. Een reu met een eenzijdig niet afgedaalde bal is net zo vruchtbaar als een reu met twee ingedaalde ballen. Omdat het hier om een erfelijk bepaalde aandoening gaat is het echter onverstandig om een dergelijke reu in te zetten voor de voortplanting. Indien het wenselijk is de reu te castreren dan dient dus ook de binnenste bal te worden verwijderd. Dit is voor een ervaren chirurg goed uitvoerbaar. Het risico van teelbalkanker komt bij ongeveer 1 op de 1000 (oudere) reuen voor. De teelbal neemt dan duidelijk in grootte toe, wat gewoonlijk een reden is voor een bezoek aan de dierenarts. Een deel van deze reuen heeft ook hormonale stoornissen die zich kunnen uiten als een huidaandoening. Het castreren is een simpele oplossing. Uitzaaiingen zijn in het eerste jaar vrij zeldzaam. Bij de in de buik aanwezige bal is dit risico ongeveer 20-25 x groter. Dit betekend dat 1 op de 40-50 reuen vroeg of later een tumor van de teelbal ontwikkelt. Omdat de teelbaltumor in de buik voor u als eigenaar niet zichtbaar is en dus veelal pas laat ontdekt wordt betekent dit dat er in meer gevallen al een uitzaaiing zal zijn ten tijde van ontdekking.

Daarnaast kan deze door de tumor mogelijk sterk vergrote teelbal ook andere buikklachten geven. In het verleden was dit altijd reden voor dierenartsen om te adviseren de binnenbal door middel van een buikoperatie te verwijderen. Onderzoek aan de Faculteit der Diergeneeskunde acht thans het risico van teelbaltumoren niet groot genoeg om een binnenbaloperatie te rechtvaardigen. Dit zou immers betekenen dat 1 op de 40-50 reuen "voor niets gecastreerd worden". Beter wordt het geacht de binnenbal 1 x per jaar door middel van voelen door een deskundige hand, of het maken van een echoscan te controleren op tumorvorming. In verband met het risico op tumorvorming is ons advies bij een niet ingedaalde bal: Indien castratie gewenst wordt geacht, deze door een dierenarts met voldoende chirurgische ervaring te laten uitvoeren Indien u een castratie niet gewenst acht: de situatie regelmatige ( jaarlijkse) te laten controleren de binnen bal preventief te laten verwijderen Deze laatste keuze blijft dus een persoonlijke beslissing.

tl_files/reuen/gideon/Gideon 182.jpg

Het niet indalen van de ballen is helaas een veelvoorkomend verschijnsel bij de kelpies. De eventuele operatie Indien besloten wordt de binnenbal per operatie te verwijderen, wordt in de praktijk meestal direct voor aanvang van operatie met behulp van echo-onderzoek een scan gemaakt van de binnenbal. De hond is dan immers onder narcose en geschoren. Op deze wijze kan de zoektocht naar de bal gedurende de operatie worden beperkt . De ingreep wordt daardoor minder uitgebreid en de duur ervan bekort, wat het verloop van de ingreep ten goede komt.

tl_files/gezondheid/Jelle aan het poedelen.jpg

Cerebellar abiotrophy

Bronvermelding: diverse internetartikelen

Bronvermelding: diverse internetartikelen

Wat is cerebellar abiotrophy?

Het cerebellum is het deel van de hersenen dat het toezicht regelt op en de coördinatie van de beweging. De cellen in de kleine hersenen die normaal volwassen zijn vóór de geboorte, verslechteren dan voortijdig en veroorzaken klinische symptomen geassocieerd met een slechte coördinatie en gebrek aan evenwicht.

tl_files/gezondheid/Majsan uit haar dak.jpg

Hoe is cerebellar abiotrophy behandeld?

Er is geen behandeling voor deze aandoening. Honden herstellen niet van deze aandoening en op een bepaald moment (afhankelijk van het tempo van de geleidelijke achteruitgang van de toestand die optreedt ) is euthanasie de beste oplossing.

Fokadvies: Met getroffen honden, hun ouders (dragers van het kenmerk) en hun broers en zussen (verdachte vervoerders) moet niet worden gefokt.
Het is niet makkelijk om te bepalen welke honden drager zijn en welke niet. Wel is men bezig een marker te ontwikkelen voor deze ziekte. Fokkers kunnen wel zoveel als mogelijk rekening houden bij het fokken door het niet gebruiken van vermoedelijke dragers van deze ziekte.

tl_files/gezondheid/Loekie aan het rollen.jpg

Welke rassen worden beïnvloed door cerebellar abiotrophy? Neonatale cerebellar abiotrophy (zeer zeldzaam) - gevolgen:cellen beginnen te ontaarden vóór de geboorte, zodat de tekenen van cerebellaire dysfunctie aanwezig zijn bij de geboorte of wanneer de pup zijn eerste wandelingen maakt. Beagle, Samoyed Beagle, Samojeed Postnatale cerebellar abiotrophy - cellen in de kleine hersenen die normaal zijn bij de geboorte en beginnen te ontaarden in de variabele tijd daarna. Australian Kelpie, Border Collie, Labrador Retriever - Klinische verschijnselen voor het eerst gezien bij 6 tot 12 weken, en de toestand verslechtert snel (over een paar weken). Cerebellar and extrapyramidal nuclear abiotrophy - cellen in andere regio's van de hersenen verslechteren.

tl_files/gezondheid/Loekie op de kust.jpg

Wat betekend cerebellar abiotrophy voor uw hond & u?

Cerebellum is het deel van de hersenen dat het toezicht regelt op en de coördinatie van vrijwillige beweging. De klinische symptomen van cerebellaire disfunctie in de getroffen honden kunnen ook een slechte balans, een breed gebaseerde houding (de voeten zo ver uit elkaar geplant), stijve of high-intensivering geven, schijnbare gebrek aan bewustzijn van de plaats waar de voeten zijn (staan of lopen met een mond knuckled over), en hoofd of lichaam tremoren. Deze symptomen verergeren ofwel snel of langzaam Getroffen honden kunnen geen trappen klimmen of staan zonder steun. Ze hebben de normale geestelijke alertheid. Klinische verschijnselen komen in verschillende gradaties van ernst voor, van lichte bevingen van het hoofd tot het totale verlies van controle. Symptomen verschijnen meestal bij 6 tot 12 weken. Sommige honden kunnen zich aan passen aan de dysfunctie en tonen weinig handicap. Waar andere regio's van de hersenen worden beïnvloed, ziet u andere gevolgen zoals het veranderen van gedrag (verlies van interne opleidingen, agressie), verwardheid, blindheid en epilepsi

tl_files/gezondheid/Majsan in het water.jpg

We hebben (februari 2010) bericht gekregen met betrekking tot de voortgang van het onderzoek naar een DNA marker CA. Deze informatie is in het Engels:

Update on CA research in Kelpies at University of New South Wales. (Feb 2010) Previously we have reported that we have identified the region of DNA containing the Cerebellar Abiotrophy gene that results in ataxia in affected kelpies. This was made possible partly through funding from Terry Snow and from Working Kelpie Council to use newly available technology. We have localised the ataxia mutation to a region of 5 million bases (0.2% of the dog genome) which still makes the search for the mutation like looking for a needle in a haystack. There are 44 genes in this region, and at first glance, none stand out as likely to be involved in ataxia. Recent work has been to pull this haystack apart and examine the contents closely in search of differences between ataxia affected dogs and unaffected dogs. Utilising recent technological advances this entire region has been isolated from two affected dogs and one unaffected control dog. Using next generation sequencing technology at the Ramaciotti Centre at UNSW we have obtained the genetic sequence for almost the entire 5 million base region for each of the two ataxia affected dogs and the unaffected control dog. Comparing the affected dogs to the control dog identifies 2107 differences, any of which could be the actual cause of Ataxia. By employing a process of elimination, 691 of these differences are within gene regions, 27 are within regions that code for protein (cellular machinery) production and 9 of these change the protein. Six other differences have also been identified which may be the cause of ataxia. Each of these 15 differences are currently being investigated by checking all our 200 other kelpie DNA samples to see if the difference is inherited exclusively with the disease. While we have chosen to focus our attention on these 15 differences it is possible that the real cause is not one of these 15 and we may have to check all of the differences to find the cause. The genetic cause of the disease looks to be very difficult to identify but we will persevere until a DNA test is developed. Jeremy Shearman Alan Wilton

tl_files/gezondheid/Allunga pups aan het beschermen.jpg

Demodex Canex

Bronvermelding: diverse internetartikelen

DEMODEX (canis)

Demodex wordt ook wel puppyschurft genoemd. Het is een vorm van schurft die bij volwassen honden net zo goed voorkomt als bij pups. De naam puppyschurft is dus eigenlijk niet correct maar wordt nog altijd gebruikt. Deze schurft wordt veroorzaakt door Demodexmijt. Een mijt is een spinachtige parasiet die met het blote oog niet zichtbaar is. Deze mijt leeft op of in de huid. Het graaft gangetjes in de huid wat jeuk en irritaties en dus ook ontstekingen veroorzaakt. De vrouwelijke vorm van de mijt legt eitjes in de huid van uw hond. De eitjes komen binnen een paar dagen uit, en na 1 tot 3 weken zijn ze uitgegroeid tot volwassen mijten. Vaak is het zo dat veel honden deze mijt bij zich dragen maar dat het geen klachten geeft. Pas als de hond last heeft van een verminderde weerstand kan de mijt klachten veroorzaken. De mijt komt dan ook in veel grotere aantallen voor als normaal. Vandaar dat het vaker bij pups voorkomt omdat hun weerstand nog niet optimaal is bij de geboorte. Ze krijgen het dan vaak van de moeder mee die overigens zelf nergens last van hoeft te hebben.

tl_files/gezondheid/Gijsje hoofd.jpg

Ook kan het zo zijn dat er een soort van erfelijke aanleg is voor het ontvankelijk zijn voor demodex. De klachten zijn: Kale plekken op de kop (rondom de ogen. op de wangen en rond de mond), hals en binnenzijde voorpoten. Soms zijn er enkele korstjes, schilfers en/of rode plekken te zien, soms zien we etterende pukkels, veroorzaakt door bacteriën. Bij een chronische infectie komen over het hele lichaam rode plekken voor (door secundaire bacteriële infecties). We zien dan bijna een volledig kale huid bezaaid met korstjes, schilfers en etterende pukkels.

tl_files/gezondheid/kopfoto Loekie.jpg

Je hebt 2 soorten Demodex: De lokale vorm en de gegeneraliseerde vorm. Bij de lokale vorm zie je dat de huid plaatselijk aangetast is. Meestal de kop, snuit en poten. Er is dan duidelijk een kale plek te zien. Soms is er ook jeuk bij, maar dat hoeft niet altijd zo te zijn. Bij deze vorm van demodex is er 90% kans op complete genezing. De gegeneraliseerde vorm kan over het hele lichaam voorkomen. Deze is een stuk moeilijker te genezen. Er komt haaruitval voor met of zonder jeuk. Maar meestal wordt er wel veel jeuk gezien. De hond kan zich hierdoor erg beroerd voelen. Er kunnen ook ontstekingen ontstaan aan de huid, op het moment dat deze behandeld worden met anti biotica lijkt het beter te gaan. Helaas is het zo dat alleen de ontstekingen aangepakt worden en niet de mijt zelf. Als je stopt met de anti biotica dan komt de mijt harder terug omdat de weerstand van de hond nog iets meer is terug gevallen. Het is dus altijd belangrijk om tegelijkertijd met een middel te behandelen tegen de demodex zelf.

tl_files/gezondheid/Kiwi en Jelle dichterbij.jpg

Gelukkig is bij de kelpies alleen nog maar de lokale vorm voorgemomen.
Hoe stel je een diagnose: Om er achter te komen of de hond Demodex heeft maakt de dierenarts een afkrabsel van de huid. Dit moet vrij diep gebeuren. Dit afkrabsel wordt dan onder de microscoop bekeken. Aan de hand hiervan kan de dierenarts zien of er wel of geen mijt aanwezig is. Behandeling Voor behandeling moet u altijd overleggen met uw dierenarts. Ga nooit op eigen houtje experimenteren!!! Omdat demodex alleen voorkomt bij honden met een verminderde weerstand kan het ook belangrijk zijn om uit te vinden waarom deze honden zo een slechte weerstand hebben. En natuurlijk om ervoor te zorgen dat de weerstand weer verbetert. Het kan zijn dat er een ziekte sluimert, maar het kan ook door een stressvolle verandering zijn zoals de overgang van Bosnië naar Nederland. Belangrijk is om hier naar te kijken en niet alleen de demodex te behandelen. In sommige gevallen van een heel klein plekje bij een jonge hond kan het zo zijn dat het niet nodig is om de hond te behandelen. De hond kan er als het ware overheen groeien als hij ouder wordt en zijn weerstand verbetert.

tl_files/gezondheid/Anoek zittend.jpg

De hond kan eventueel homeopathisch ondersteund worden. Blijft het niet bij een klein plekje of is de hond al ouder (ouder dan 1 jaar) dan wordt behandeling wel aangeraden. Om de demodex te behandelen is het soms nodig om langharige honden kaal te scheren. De huid kan dan beter behandeld worden. De behandeling moet doorgezet worden tot men er zeker van is dat er geen levende mijt of eitjes meer aanwezig zijn. Dit kan zeker 4 tot 6 weken duren nadat alle klachten verdwenen zijn. Stop je eerder dan is de kans groot dat de demodex weer terugkomt. De behandeling wordt vaak ingezet met Ectodex. 1 – 3 x met tussentijd van 1 week wassen. Eventueel in combinatie met anti biotica als er ontstekingen aanwezig zijn. Dit is een behoorlijk agressief middel. Ook wordt er gesproken over demodexolie, deze zou niet alleen de demodex aanpakken maar ook de ontstekingen en zou niet zo giftig zijn als de ectodex.

tl_files/gezondheid/oekie aan de kust.jpg

Eventueel kun je ondersteuning bieden op homeopathische basis om de weerstand van de hond te verhogen aangezien een verminderde weerstand de demodex de kans geeft om verder te gaan. Dit kan door middel van bv Echinaforce van Dr. Vogel. Er zijn ook dierenartsen die behandelen met Ivermectine (stronghold) (nooit aan collies of collieachtige honden, bobtails en shelties geven!!) Een behandeling van 1 tot 3 ampullen in de nek met 3 à 4 weken ertussen. Besmettelijkheid In principe is Demodex niet besmettelijk voor andere gezonde honden. Demodex mijt komt overal in de omgeving voor en is geen belasting voor uw gezonde hond. Het kan zelfs zijn dat 1 pup uit een heel nest demodex heeft terwijl de rest er geen last van heeft. Aangezien Demodexmijten gastheer specifiek zijn kunnen mensen deze vorm van demodex (demodex canis) niet krijgen. Er zijn wel andere vormen van demodex die mensen kunnen krijgen, maar dus niet via de hond.

Patellaluxatie

Bronvermelding: diverse internetartikelen

Wat is patellaluxatie of knieschijfluxatie?

De knieschijf ofwel patella ligt normaal gesproken in een kraakbeensleuf aan het onderste gedeelte van het bovenbeen. Bij patellaluxatie schiet deze van zijn plaats (naar binnen of naar buiten). De knieschijf heeft een belangrijke functie in het mechanisme van de kniebuiging. Bij een luxatie van de knieschijf valt deze functie weg. Daardoor kan de hond niet meer goed op dit been steunen. Knieschijfluxatie kan aan één poot voorkomen maar vaker zien we het beiderzijds. We zien het bij de jonge hond vanaf een week of 8 maar we zien ook vaak pas problemen op latere leeftijd.

tl_files/gezondheid/Gijsje band werdstrijd.jpg

 

In principe kan patellaluxatie bij alle rassen voorkomen. We zien het echter het vaakst bij de kleine en minirassen. Normale knie. Knie met patellaluxatie. Dat patellaluxatie een complex probleem is, blijkt wel uit de verschillende classificaties waarin deze aandoening wordt onderverdeeld. Onderverdeling in voorkomen
Mediale luxatie (luxatie naar binnen) bij mini, kleine en grote hondenrassen.
Laterale luxatie (naar buiten) bij mini en kleine hondenrassen Laterale luxatie (naar buiten) bij grote hondenrassen Onderverdeling naar oorzaak Erfelijkheid Genetisch bepaalde anatomische afwijkingen veroorzaken de patellaluxatie. Zo kan de tibia (het stukje bot waar de kniepees aan vast zit) te veel naar binnen staan waardoor de knieschijf buiten de kraakbeensleuf gedwongen wordt. Traumatisch Door een ongeluk kunnen een of meerdere bandjes afscheuren die normaal de knieschijf op zijn plaats houden Tgv lichamelijke afwijkingen Andere aandoeningen kunnen ervoor zorgen dat de knieschijf losser in de kraakbeensleuf ligt. De ziekte van Cushing is zo’n voorbeeld. Door verslapping van de pezen en spieren wordt de knieschijf niet vast genoeg meer in de sleuf gehouden. Onderverdeling in de ernst van luxatie (vooral belangrijk voor de keuze van de behandeling) Patellaluxatie kan in verschillende gradaties voorkomen; van heel af en toe tot permanent op de verkeerde plaats.

tl_files/gezondheid/Gideon in de sneeuw.jpg

We maken de volgende onderverdeling hierin; Graad 1 De knieschijf is te luxeren bij een gestrekte poot de knieschijf met de hand te verplaatsen. Wanneer de poot weer in de normale stand staat schiet de knieschijf vanzelf weer terug. Graad 2 Hierbij schiet de patella er regelmatig naast en blijft dan in geluxeerde positie voor kortere of langere tijd. Sommige honden “zetten” de knieschijf zelf weer op de plaats door de poot naar achteren te strekken. Door het regelmatig op en af schieten van de knieschijf ontstaan kraakbeendeformiteiten, artrose en afvlakking van de kraakbeensleuf. Graad 3 De knieschijf is permanent geluxeerd, wanneer de knieschijf weer in de goede positie gezet wordt schiet deze er vanzelf weer uit. De kraakbeensleuf is ondiep of zelfs afgevlakt. De poot wordt wel belast maar staat vaak in doorgebogen positie. Graad 4 De knieschijf is permanent geluxeerd en de kraakbeensleuf is afgevlakt of schuin aflopend. Honden houden de poot omhoog of bij beiderzijdse luxatie lopen ze extreem afwijkend wijdbeens. Symptomen van patella luxatie bij de hond Verschijnselen van patellaluxatie kunnen variëren van heel af en toe door de betreffende poot zakken tot permanente afwijkende loop waarbij de dieren met de knieën naar buiten lopen. Wanneer de knieschijf weer in de goede positie schiet zijn de problemen ook weer direct verdwenen. Bij mediale patellaluxatie kunnen we globaal drie groepen onderscheiden; Pasgeborenen en puppies Problemen van afwijkend gebruik van een of beide achterpoten vanaf de tijd dat ze echt gaan lopen. Vaak zijn dit de dieren met patellaluxatie graad 3 of 4. Jonge tot volwassen honden Deze dieren hebben vaak altijd al een wat afwijkende gang maar deze kan langzaam verergeren. Deze gevallen hebben vaak patellaluxatie graad 2 of 3. Oudere dieren Oudere dieren met patellaluxatie graad 1 of 2 hebben vaak in hun leven slecht geringe verschijnselen. Vaak zien we bij deze dieren plotselinge kreupelheid en pijn door verergering van de luxatie en/of door de toename in de vorming van artrose. Hoe stellen we de diagnose patellaluxatie? De diagnose wordt gesteld aan de hand van het verhaal (anamnese) en het onderzoek waarbij met een speciale handgreep wordt gekeken of de knieschijf te luxeren is. In enkele gevallen is het beter dit onderzoek onder een lichte sedatie te doen. Het maken van rontgenfoto’s is niet direct noodzakelijk voor de diagnose maar sluit wel andere oorzaken uit en kan informatie geven over de prognose en de keuze van behandelmethode.

tl_files/gezondheid/J-Lee en Allunga aan het puberen.jpg

Wat is de behandeling voor te losse knieschijven? De behandeling van de patellaluxatie is afhankelijk voor de graad en de oorzaak van de luxatie. Graad 1 patellaluxaties worden nogal eens niet behandeld (niet in de laatste plaats omdat de verschijnselen zo gering zijn). Toch is het zeer waarschijnlijk dat, door de regelmatige luxaties, een pijnlijk gewricht ontstaat. Bovendien kunnen hierdoor botafwijkingen ontstaan waardoor de luxatie steeds erger wordt.Het is dan ook zo dat de meeste van deze gevallen beter geopereerd kunnen worden. De overige graden van patellaluxatie komen zeker in aanmerking voor chirurgie. Afhankelijk van de graad van de patellaluxatie kan er voor de volgende operatieve ingrepen gekozen worden, ook combinaties van deze methoden worden gebruikt; Strak hechten van het kapsel; hierdoor kan de knieschijf minder snel luxeren Uitdiepen van de kraakbeensleuf; hierdoor valt de knieschijf dieper in de sleuf en zal minder gemakkelijk luxeren. Teugeltechnieken; hierbij kunnen teugels van onoplosbaar materiaal gebruikt worden om de knieschijf op de plaats te houden en/of de aanhechtingsplaats van de kniepees in de goede positie te houden. Transpositie van de aanhechtingsplaats; hierbij wordt de aanhechtingsplaats van de kniepees losgebeiteld en in de goede positie teruggezet met pinnetjes. Uitgebreide botchirurgie; in enkele gevallen zijn de anatomische afwijkingen van dien aard dat complete standscorrecties nodig zijn. Vooruitzichten De vooruitzichten na chirurgie zijn uitstekend, doel van de chirurgie is compleet functioneel herstel. Fokken met patellaluxatie Afgezien van de traumatische patellaluxatie (dus na een ongeluk) wordt het fokken van honden met een patellaluxatie ten zeerste afgeraden. Preventie van patellaluxatie Helaas zijn losse knieschijven niet te voorkomen. Het enige wat we kunnen doen is goede selectie van de dieren die we gebruiken voor de fok. Gelukkig is het bij een aantal rassen verplicht de dieren te laten onderzoeken door een specialist om de graad van luxatie vast te laten stellen. Samenvatting Patellaluxatie of losse knieschijven is een veel voorkomende aandoening bij kleine hondenrassen. Hierbij schiet de knieschijf regematig van de plaats waardoor een kreupele gang ontstaat. De meeste vormen van patellaluxaties zijn gebaat bij chirurgie. De vooruitzichten na chirurgie zijn uitstekend. Patellaluxatie schijnt regelmatig voor te komen bij de kelpie.

Oogziekten

Bronvermelding: diverse internetartikelen

Bij de hond komen verschillende oogziekten voor.

De belangrijkste zijn: Retinadegeneratie of Progressieve Retina Atrofie (PRA).
Een groep van netvliesafwijkingen die bij veel rassen voorkomt en tot blindheid leidt.
Cataract (congenitaal). Dit is aangeboren grauwe staar.
Retina Dysplasie (RD). Dit is een aangeboren netvliesafwijking.
Collie Eye Anomalie. Het is een aangeboren afwijking waarbij het netvlies, het vaatvlies en de oogzenuw betrokken kan zijn.
Ligamentum pectinatum abnormaliteit (Goniodysplasie). Een aangeboren afwijking van de afvoer van het oogvocht. Een deel van de honden met deze afwijking ontwikkelt hoge oogdruk (glaucoom) Entropion. Dit is een afwijking waarbij een ooglid (meestal het onderooglid) naar binnen draait.
Distichiasis/Ectopische Cilie. Dit is abnormale haargroei in o.a. de ooglidrand Cataract (niet-congenitaal).
Cataract is staar. In de lens zijn troebelingen aanwezig. Cataract kan aan één oog of aan beide ogen voorkomen. Onderscheid met de bekende blauwe waas bij oudere honden (een normaal verouderingsproces) is meestal goed te maken.
(Primaire) Lensluxatie. Dit is het loslaten van de lens. Een lensloslating kan een drukverhoging (glaucoom) in het oog veroorzaken en zo tot blindheid leiden.

Af en toe komen oogziektes voor bij kelpies maar niet echt veel. Over het algemeen wordt er in Nederland eerst getest op PRA voordat er met een hond gefokt wordt.

tl_files/gezondheid/Jelle aan ht poedelen.jpg

Rugklachten

Rugpijn komt niet alleen bij mensen voor. Honden met lange ruggen, zoals bassets, pekinezen, teckels en cockers, maar ook grotere hondenrassen, zoals de Duitse en Mechelse herders, kunnen er last van krijgen, vooral op middelbare of latere leeftijd.

Het ziektebeeld

De schijfjes tussen de wervels houden de wervel kolom soepel en omringen het ruggenmerg. Soms raken die schijfjes beschadigd, mogelijkerwijs ten gevolg van een trauma of door natuurlijk aanleg zoals bij bepaalde hondenrassen. Men heeft het dan over hernia van de tussenwervelschijf. Voor lage rugpijn hanteert de medische terminologie termen als lumbo-sacrale instabiliteit, lumbo-spinale stenose en lumbo-sacraalstenose. Al deze benamingen wijzen op hetzelfde probleem, namelijk dat het ruggenmergkanaal vernauwd is en dat daardoor het laatste gedeelte van het ruggenmerg bekneld geraakt is. Door deze beknelling van het ruggenmerg ontstaan pijn, verlamming en zelfs gevoelloosheid. De blaas kan ook niet meer normaal functioneren wanneer de hernia de zenuwen rond de blaas beknelt. Elke vorm van hernia of lumbo-sacraalstenose moet zo snel mogelijk worden behandeld om de mobiliteit van de hond en de werking van zijn organen te behouden.

De symptomen

Rug aandoeningen verlopen vaak via verschillende stadia die steeds ernstiger worden qua ziektebeeld.

Voor de eerste groep honden is rugpijn relatief mild. Wel vertonen ze een andere gedrag: zij wandelen niet meer zo graag en willen ook snel naar huis terugkeren. Sommige van hen hebben moeite om op een stoel of een bank te springen en janken om aan te geven dat zij opgetild willen worden. Andere weigeren de trap op- of af te lopen. Normaliter eten en drinken deze honden goed, maar er kunnen zich constipatieproblemen voordoen. Door het drukken tijdens de ontlasting voelen ze acuut pijn in de rug en durven daardoor niet meer te persen.

De tweede groep wandelt met moeite; ze slepen of waggelen met hun achterste poten. De bovenzijde van de achterpoot wordt over de grond gesleept en de nagels en de huid op de bovenzijde slijten snel af.

De derde groep bestaat uit honden die verlamd zijn. Kenmerkend is dat zij zich nog kunnen voortbewegen, echter wel hun achterste daarbij meeslepen. Uit onderzoek blijkt dat ze nog gevoel hebben in hun achterpoten, met andere woorden dat ze nog pijnprikkels gewaar worden. Sommige van hun kunnen nog wel plassen, bij andere is de blaas verlamd geraakt.

In de laatste categorie treft men honden die weliswaar geen pijn meer voelen maar zodanig gevoelloos zijn geworden dat zij op geen enkele stimulus meer reageren.

Voor de eerste en tweede groep zijn de prognoses voor een snelle genezing reëel. Wel is spoedige behandeling noodzakelijk. Voor de derde groep is een behandeling van enkele weken geboden waarna genezing goede kansen heeft. Voor de laatst genoemde categorie is genezing echter zeer moeilijk en vrijwel kansloos.

De behandeling

De dierenarts zal de hond eerst klinisch onderzoeken, desnoods aanvullend met röntgenfoto’s of MRI, om het stadium van de aandoening goed te kunnen diagnosticeren.

wervels hond

Indien er sprake is van een hernia in een vroeg stadium dan kan men die door middel van pijnstillers en koorts remmende medicijn bestrijden. Echter wanneer de hond al twee dagen lang de pijn die de hernia veroorzaakt niet meer voelt, dan is de behandeling complexer: acupunctuur, massage- en re-educatie sessies, onder andere in water, kunnen voorkomen dat de spiermassa helemaal verdwijnt ten gevolge van weinig of geen beweging. Uiteindelijk dragen ze bij aan de genezing. Van groot belang is dat de hond volledig kan uitrusten, geen trap oploopt en ook niet springt. Het regelmatig raadplegen van een osteopaat kan preventief werken en de symptomen van hernia aanzienlijk beperken. Soms wordt er ook een specifiek dieet voorgeschreven. Wanneer de medicijnen niet goed werken of wanneer er ernstige neurologische uitval is, dan is chirurgie de enige optie.

Tenslotte is het belangrijk dat u uw hond gerust stelt. Voorkom dat hij loopt, springt of de trap af- en oploopt zodat de letsels van het ruggenmerg niet verergeren. Als u hem optilt, houd de wervelkolom van uw hond dan zo recht mogelijk en als u hem weer neerzet, laat dan eerst de voorpoten de grond raken. Til daarom uw dier met een arm tussen de voorpoten en een arm tussen de achterpoten.

Helaas zien we ook bij de kelpie in toenemende mate rugklachten ontstaan. In hoeverre er sprake is van familiale gevoeligheid voor rugklachten of van externe factoren zoals trainingwijze is niet altijd duidelijk.

Gisèle Bidenbach

Bron: http://blog.direct-dierenarts.nl/rugpijn-bij-honden-de-meest-voorkomende-rugklachten/